Lezen

Hoewel het moeilijk is het gesproken woord op schrift te vatten, werd over het Tervuurs dialect al een en ander gepubliceerd. Van woordenlijsten tot herkenbare verhalen die de dorpssfeer van de twintigste eeuw oproepen.

Geschiedenis van de gemeente Tervuren

Tervuren

Tervuren ontleent zijn naam aan de Voer, het zijriviertje van de Dijle dat ontspringt in het Zoniënwoud. Vanaf de twaalfde eeuw was Tervuren een van de woonplaatsen van de hertogen van Brabant. In die tijd werd Tervuren in het Latijn Fura genoemd. De toevoeging ducum (van de hertog) wees op Tervuren als de woonplaats van de hertog.

Over de periode voor de twaalfde eeuw is weinig geweten door gebrek aan historische bronnen. Toch moet op twee zaken gewezen worden. Ten eerste wijzen archeologische vondsten erop dat er voor de middeleeuwen ook bewoning is geweest op het grondgebied van Tervuren. Maar deze gegevens zijn te beperkt om verregaande conclusies uit te trekken.

Ten tweede bestaat er een legende dat rond 727 de Luikse bisschop Sint-Hubertus in Tervuren woonde en hier zou gestorven zijn. Of dit daadwerkelijk zo geweest is, valt onmogelijk te achterhalen. Wat we wel met zekerheid kunnen zeggen, is dat zo’n 800 jaar later, omstreeks de 16de eeuw, in Tervuren een verering ontstond voor deze heilige. Die wordt nog steeds jaarlijks gevierd aan de Sint-Hubertuskapel in het park.

Omstreeks 1213 liet de Brabantse hertog Hendrik I een burcht bouwen op de landtong die gevormd werd door de samenvloeiing van de Voer en de Maalbeek, die ondertussen is dichtgeslibd. Ook de Sint-Jan-Evangelistkerk dateert uit die periode.

In de zestiende eeuw was het kasteel al fors uitgebreid en was het een geliefde verblijfplaats van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Tervuren was een gunstige locatie omdat het op een halve dagreis van Leuven en Brussel lag. Ze lieten de Sint-Hubertuskapel bouwen binnen de omwalling van het kasteel en gaven opdracht om een Kapucijnenklooster te bouwen in het Zoniënwoud.

Een volgende belangrijke periode voor Tervuren was de tweede helft van de achttiende eeuw. De Zuidelijke Nederlanden waren toen het bezit van de Oostenrijkse Habsburgers en gouverneur-generaal Karel van Lorreinen had in Tervuren een geliefde verblijfplaats.

In 1782 gaf zijn neef Jozef II opdracht het kasteel af te breken. Enkel het ‘Hoefijzer’ en de ‘Sint-Hubertuskapel’ bleven gespaard. Na de Nederlandse periode en de Belgische Revolutie van 1830 werd het hertogelijk domein eigendom van de Belgische staat.

Vanaf 1905 startte Leopold II met de bouw van een ‘Koloniaal Museum’, nu beter bekend als het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Ook het Geografisch Arboretum dateert uit de periode van Leopold II.

Vossem

De naam Vossem zou dateren uit de Frankische periode en verwijzen naar een stamvader ‘Vos’ die er zijn ‘heim’ vestigde. In de middeleeuwen werd ook de Latijnse benaming Fossa gebruikt. De verwijzing naar de vos in het schepenzegel zou een latere toevoeging zijn.

Vossem duikt voor het eerst in historische documenten op in het jaar 1129. Op dat moment schonk Reinier van Vossem zijn domein van meer dan zeshonderd bunder aan de pas gestichtte Parkabdij te Heverlee.

Op dat moment stond er al een villa- of domeinkerk. Rond 1200 zou de huidige Sint-Pauluskerk gebouwd worden. In diezelfde periode ontstond ook de historische band tussen Leefdaal en Vossem. De hertog van Brabant vertrouwde rond 1200 het beheer van zijn domein toe aan de Heren van Leefdaal.

Het 12-Apostelenbos in Vossem dankt zijn naam aan het Brussels godshuis ’12-Apostelen’ dat in 1434 werd opgericht. Het hof van Vossem werd sindsdien het hof der Twaalf Apostelen genoemd en zorgde voor een groot deel van de inkomsten van dit godshuis.

In het begin van de 15de eeuw stonden er in Vossem, naast de watermolen van de abdij van Park, nog een tweede watermolen en een banmolen. Deze werden afgebroken in respectievelijk 1141 en 1448. Het eikenhouten Sint-Paulusbeeld dat achteraan in de kerk onder een glazen stolp bewaard wordt, werd op het einde van de 15de eeuw aangekocht.

Tijdens de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk eind 15de eeuw werd het dorp door brand grotendeels verwoest. Daarmee was de ellende nog niet teneinde. Ongeveer honderd jaar later, in 1578, trokken Spaanse troepen plunderend door Vossem. In hetzelfde jaar mislukte tot overmaat van ramp de oogst en brak en Leuven en Brussel de pest uit.

1635 was opnieuw een rampjaar voor Vossem. Een terugtrekkend Frans leger trok door het dorp en er was opnieuw een pestepidemie. In 1636 werd daarom op de grens van Vossem en Leefdaal op kosten van enkele plaatselijke notabelen een stenen kapel opgetrokken, gewijd aan Onze Lieve Vrouw van Gezondheid: de kapel van Puttebos.

Na lang aandringen kreeg Vossem met Maximiliaan Snel in 1687 een eigen pastoor. Na een zoveelste doortocht van plunderende legers begin de pastoor met de heropbouw van de kerk. Ook de pastorie kreeg een grondige opknapbeurt met een vijver en een gracht. In 1901 werd die afgebroken en enkele jaren later vervangen door een nieuwe.

De bekende Hoeve Oude Voorde, met de meer dan 50 meter lange voorgevel, dateert al uit de 1129 maar kreeg haar huidige vorm in de 18de eeuw toen ze werd aangekocht door het Leuvense Luxemburgcollege.

Duisburg

De benaming Duisburg zou afgeleid kunnen zijn van Dispargum een woonplaats van de Frankische vorst Chlodio. Het ontstond aan het kruispunt van twee Romeinse secundaire wegen. Vermoedelijk heeft er in Duisburg een burcht gestaan. Het oudste schepenzegel uit 1372 wijst alleszins in die richting. Waar deze zou gestaan kunnen hebben is tot op vandaag onduidelijk.

Duisburg was sinds de middeleeuwen een Vrijheid. Dat kunnen we met zekerheid zeggen vanaf 1226, toen hertog Hendrik I, die in Tervuren een kasteel en kerk liet bouwen, aan Duisburg de Vrijheidskeure schonk. Ze kregen dezelfde vrijheden als Tervuren, die dus even ervoor verleend moeten geweest zijn.

Die vrijheden hadden hun voordelen. Zo werden ze bijvoorbeeld vrijgesteld van belastingen om de oorlogen te financieren. Toen Albrecht en Isabella aan deze privileges wilden raken en hen dag en nacht de wacht lieten houden aan het kasteel van Tervuren, stuurden zij onmiddellijk een verzoekschrift om erop te wijzen dat Duisburg al ruim 150 jaar was vrijgesteld van militaire logementen en de bijkomende belasting.

Ook de inwoners van Tervuren kloegen daar trouwens over. Ze smeekten de machthebbers om de privileges te handhaven, temeer omdat onlangs nog een aanzienlijk deel van bos, weiden, vijvers en bouwlanden door het park werden omsloten. Het argument sloeg aan bij de landvoogden.

Op 3 mei 1731 woedde rond middernacht een grote brand in Duisburg. Die begon op de Markt maar het vuur breidde zich snel uit tot aan ‘Den Hoorn’ naast de kerk en tot aan de pastorie. Van meer dan veertig huizen bleef niet veel meer dan wat as over. Het gerucht deed de ronde dat een misnoegde bedelaar de brandstichter was geweest.

Op het einde van de 19de eeuw werden in Duisburg de eerste serres opgericht en maakte de gemeente deel uit van de Druivenstreek. Op het hoogtepunt van de druiventeelt was Duisburg de derde grootste Belgische druivengemeente na Hoeilaart en Overijse. Vanaf de jaren zeventig ging deze druiventeelt met rasse schreden achteruit.

Moorsel

Ook Moorsel wordt in verband gebracht met prehistorische en Romeinse archeologische vondsten maar met verstrekkende conclusies dient opnieuw voorzichtig omgesprongen te worden. Zo wordt aangenomen dat onder meer de Waalse Baan reeds in de Romeinse periode in gebruik was. De eerste vermeldingen van de benamingen Waalse Baan dateren echter pas uit het midden van de 14de eeuw.

In de fantasie van menig historicus was Moorsel in de vroege middeleeuwen een onderdeel van een uitgestrekt Karolingisch domein, waarvan Fura, Sint-Verona (Leefdaal) en Isca (Overijse) de kernen vormden. Deze theorie staat of valt echter met de identificatie van Tervuren met het Fura van de heilige Hubertus in de 8ste eeuw. Iets wat hoegenaamd geen uitgemaakte zaak is.

De eerste schriftelijke vermelding van Moorsel dateert uit 1139 in een oorkonde bewaard in de Parkabdij te Heverlee. Vermoedelijk bestond Moorsel in die tijd uit niet meer dan bossen en onontgonnen zandgronden. Wereldlijk gezien lag het binnen de grenzen van Tervuren.

Kerkelijk lag de zaak anders. Vanaf de 13de eeuw maakte een deel van het dorp ondergebracht bij de parochie Sterrebeek. In de 18de eeuw werden enkele delen al ondergebracht bij de parochie Tervuren en tijdens de Franse bezetting in 1803 werd Moorsel integraal naar Tervuren overgeheveld. Deze situatie zorgde voor verdeeldheid in het dorp.

Het gevolg was heen-en-weer-getrek tussen Tervuren en Sterrebeek. In 1806 werd de oude situatie opnieuw hersteld maar in 1809 was de omgekeerde beweging weer het geval. In 1906 werd in Moorsel een kerk gebouwd en sinds 1965 was het een aparte parochie.

Fusieperikelen

In 1829 ontstond op vraag van het Hollandse regime bijna een fusie tussen Duisburg en Vossem. Op 9 maart gaf de Duisburgse gemeenteraad hiervoor zijn goedkeuring, maar drie dagen later werd het voorstel afgeschoten in Vossem. In Vossem vreesde men dat Duisburg, omdat het groter was, te dominant zou zijn.

Ongeveer 150 jaar later voltrok zich toch een fusie, maar dan op grotere schaal. Op 1 januari vond in België een grootschalige gemeentefusie plaats, waardoor het aantal gemeenten werd gereduceerd van 2.359 tot 596. Voor Tervuren had dat als gevolg dat ook Vossem en Duisburg plots binnen de Tervuurse gemeentegrenzen vielen. Vanaf dat moment had men in Tervuren officieel vier dorpskernen: Tervuren, Moorsel, Duisburg en Vossem. Moorsel was voordien al een gehucht van Tervuren.

De gemeentefusie van de jaren zeventig is een mooi voorbeeld van hoe politieke en administratieve veranderingen ook hun weerslag hebben op het beeld en het onderzoek dat rond een bepaald onderwerp wordt gevoerd. Als men voor de gemeentefusie sprak van Tervuurse dialecten, dan doelde men daarmee op de Tervuurse dorpskern. Wanneer we nu spreken over Tervuurse dialecten zal het ook gaan over Duisburgs, Vossems en Moorsels.

Inwonersaantal Tervuren sinds 1977

  1977 1987 1997 2007
Tervuren 10.298 10.358 10.557 10.727
Moorsel 2.320 3.581 3.430 3.633
Vossem 2.521 3.139 3.455 3.512
Duisburg 2.356 2.469 2.709 3.077
Totaal : 17.495 19.547 20.151 20.949

 

Korte rijmpjes

Olleke bolleke knol

‘Olleke bolleke knol – De tijd van toen in gedichtenkronkels’ is een project van Rien Bartholomees. Het idee daarvoor ontstond enkele jaren geleden toen haar oma tijdens een familiefeest een voordracht van een gedicht deed dat zij geleerd had in de lagere school. Het gedicht duurde enkele minuten en ontroerde heel de familie. Niet lang daarna wist een 101-jarige haar opnieuw te verrassen door eveneens een versje uit de lagere school op te zeggen.

Haar interesse was gewekt en Rien ging op zoek naar meer gedichten en versjes van vroeger. Daarvoor legde ze haar oor te luister bij vele bejaarden en klopte ze aan in rusthuis Zoniën te Tervuren om met de bejaarden jeugdherinneringen naar boven te halen. Uiteindelijk werd alles gebundeld onder de titel Olleke Bolleke Knol.

‘Met deze bundel hoop ik op mijn beurt mensen te boeien’, zegt Rien. ‘Dat het een aanleiding mag zijn tot samenkomen van jong en oud om elkaars verhalen te delen. Hopelijk doen de herinneringen die ermee naar boven komen deugd om herinnerd te worden!’

 

Sappige scheldwoorden, schimp- en toenamen te Tervuren

Dialectwoord Vertaling
   
lange zwikzwak lang en mager
keuten dikzak kort en dik
bleis opgeblazen
fatti vette
moegere sprikoet magere sprinkhaan
spring-not-vet iemand die naar het vet springt
boddingstamper zeer klein
verneutelde verkommerd of mismaakt
krumme keitel verkommerd of mismaakt
schieve pispot verkommerd of mismaakt
klierkas atlethisch gebouwd
fleske sidol afhangende schouders
flinke kneul succes bij de meisjes
maskes meisjes
mokkes meisjes
dikke tet borsten
schuun bien benen
boelt bult
kas bult
mankepuut iemand die mankt
scheilen bidoel scheel
klasjkop kaalkop
klasj kaal
rattekop verwarde haartooi
loeizekop luizen
roeige volslagen lelijkerd
meutekesknee x-benen
staaiven ajnke niet soepel
brek ravotter waaghals
verreke varken
oeil uil
keimel kameel
oulefant olifant
eizel ezel
stoemen eizel stomme ezel
mettekou aap
stoeme gaten domme geiten
keek kieken
liepe vos zo sluw als een vos
loeis luis
platloeis onguur schepsel
linke stute slinkse gedragingen
vrumde loeis vreemde
boestrink gerookte haring
geirnoet garnaal
lemmekezeut goeie snul
mossel niet veel geraamte
pladaais niet veel geraamte
karikol zonnig en sympathiek man
stoefer pocher
janfafoel pocher
janmanknikkele pocher
janmanklute pocher
dikkenek pocher
zaaiker pocher
baron ziep is vlug rijk geworden
parvenu is vlug rijk geworden
gruut lawaait praat en pocht veel
amelaaiken doeiker huichelaar
plattenblok gluiperd
hettefretter misnoegd, afgunstig en kan niets verdragen
zeure smool mistroostig
loeirik luiaard
fretter gulzigaard
duirjoeger gulzigaard
sloeker slokop
zoeiper zuiper
zatlap zuiper
pottepei zuiper
stamineivoten cafévoeten
plekkers blijven op café rondhangen
tallurelekker gaat graag elders eten, profiteur
maveiger mouwveger, flikflooier
flerefloeiter flierefluiter
broekschaaiter niet moedig
schrikschaaiter niet moedig
poefer maakt veel schulden
beddezaaiker berokkent gedurig last
smeirelap smeerlap
krapuul krapul
voeile vwajoe sale voyou
snotnuis snotneus
gamin snotneus
ballekeskop onnozelaar
sussefrançois onnozelaar
schuppenboor onnozelaar
asjel slungel of ongeluksvogel
labbekak zonder fut
vaaig zonder fut
slasj zonder fut
hoerzakker bedrieger
trisjoet bedrieger
smous bedrieger of hardvochtig handelaar
smouzejas bedrieger of hardvochtig handelaar
arrangeur zet de zaken naar zijn hand
pastuur zedig en teruggetrokken maar schijnheilig
zieverier man die flauwekul vertelt
zieverkut vrouw die flauwekul vertelt
zwanzer iemand onbetrouwbaar
krabbers wielrenners die uit de wielen gereden worden
hoeilenboor groezelige man, kolenhandelaar
zwette keir onzindelijk wijf
ajoen politieagent
gamellenboeffer beroepsmilitair
luper zit achter mooie meisjes aan
rakker zit achter mooie meisjes aan
maskeszot zit achter mooie meisjes aan
kluut dwazerik, slappeling
pansj dwazerik, slappeling
floeit dwazerik, slappeling
zwozze dwazerik, slappeling
beuzze dwazerik, slappeling
sjarel van geen kleintje vervaard
artist verfijnd
voeiljanet onzindelijk wijf
lameir babbelkous
treen vrouw die niet snugger is
trut vrouw die niet snugger is
mee-katoen vrouw die niet snugger is
strontmadam protserig en hovaardig wijf
kattepansj vrouw die geen geld heeft maar zich rijk voordoet
kolen-mansjet-en-giene-fret man die geen geld heeft maar zich rijk voordoet
geirebluut vrouw die graag bloot toont
schuppedam vrouw met geheimzinnige maar onweerstaanbare aantrekkingskracht
schaveiger plantrekker
kaffeibeuzze goede loebas
linkadoor gewiekste kerel
pateike gewiekste kerel
mandeike gewiekste kerel
schamateur zeer gewiekste kerel
luppekassuul van casserole
schramoeilenboeik buik vol as of met as bestrooid
afgelekte flerenbol snoepgoed van vliersap
kalsjentien zoethouten teen
bloempansj zwarte pens doorspekt met spek
dikke koppe belangrijke lui

 

Tervuurse typen

In Terveure zen gien minse nemi dat dee twie aakes hemme gekint, moe wel van oere spreke. Ze bewoende a klaan hooizeke, bewerkte e stukske grond me nen trekhond. Ze woere erm, moe altijd kontent. Ze woere 70 joer en ze volgde nog altijd de mode van de joenge joere. ‘t Zondoegs ging tante Lucie, noe de vreugmes en ze droog altijd eur traamantille. Engeloom, da was heure man, daan gong noe d’hoomes me ne zave kiel en muts.
In de lange winteroevende zinge de kindere doe den oevend passeere rond de stoof en in ‘t licht van de petrollamp. Engel-oom verteld over vreuger joere. Den leesde ze de roezekrans en ginge ze sloepe. ‘s Merges stonne ze vreug op en da wiste de kindere uit de gebeure.
Op ne kie, ‘t was in ‘t holleke van de winter en de snie lag dik. Veu ‘t lieg hooizeke haa de kindere hoepe snie veu de deu en de vindsters gescheupt en wel tot tege ‘t dak. ‘s Merges as Engel-oom wakker weudde, bleef et doenker, moe z’aa ginne voek nemi en de moeg begost te rammele. Noe lang wachte stond de man op, dee de deu ope en reep op zen Lucie ‘ons huis es onder gesnieft’. Den ginken ze op zolder, kroope deu ‘t dakvinster en zoege wat de joenge manne aa’en uitgestoke.

Bij Nette Lampaing

In d’Hournzielstroet 54-56, bestoet ‘r nog n’n bollewinkel. Oan ‘t woud es “Julia Lampaing” alias Julia Fabry, de winkelierster – dochter van Nette.

‘t Was in 1899, maai voeder was ne plekker en haai verdiende moe ne frang (1 frank) per dag. Vaai eet baai te verdeene bewerkte maai moeder e stuk grond. Toen was da de gewoeinte. Da joer ging de famille vergroete en maai voeder zaa dat da werk op ‘t veld te swoer weudde. Da was goed – ze kon oek nogal goe nou en ze begost me blaa veusgoes te moeke. Uere ieste veusgoet hing ze mai ‘n kour vooi de vienster. Ze mokte oek nog moillekes en da ging reidelijk goed. Zoe verdiende’s e censke baai.

Op ne kie kwam Nette Van Obberghen baai ons en ze zaa zoe teige maai moeder “Ge mut zeurge da ge nen bol et om aon de kindere te geive, dat trekt de kalante”. Maai moeder trok noo de rueblaes om n’n boekal bolle. Doe zag z’oek roe zakdoeke ligge en ze brocht er ienige mei vaai te verkoepe. Z’hing ze me veer on en kour vooi de vienster. Moe woevooi verkoept ‘oek gien bolle vroege de kalante? Goed, ze kocht een klaan balans en mokte de bolle zelf me soeiker en huining. Hoe dat da recet was da wietek nemie.

Alles weudde gesmolte en op nen blave stien gegote en ast nog laa was in stukskes gesnije. De bokalle weudde gevuld en de bolle weudde goe verkocht. Limonade da verkochtemme per glas. Loeter kwoemer eizelsoere baai en cocobolle. De cocobolle weudde in stukskes gesnije en verkocht on ne cens ‘t stuk. De rueblaes was seffes nogal veer en keutter baai in Avergoem vonden we n’n andere bollemarchand ne zeikeren Butstraen. Moe zaal maai moeder op ne kie, wievooi koept a gien keer en peerd, den kund’al de winkels doe in Terveure.

Hij dei da en van den kwammen reigelmoetig no Terveure. Me Sinterkloes, in danen taaid was da Peike de Grief, verkochte we veuil spikeloes en niknakskes. Me Neuvejoer was da pieperkoek, groete en klaane. ‘t Was oek de gewoeinte baai ons, da me mé Neuvejoersoevend pieperkoek verloute. Me vaaif cens weudd’r baaiiengeleid en me dra tierlingen weudd’r gesmijte. Woeren ‘r twie of dra me achtteen den smijtte’s ze nog ne kie.

Zoe zat maai moeder is op den tram me ne groete pieperkoek op heuire schoet. Ne zeikeren Desees oeit Eizer babbelde zoe e wa en asze van de tram stapte hielpen de pieperkoek droege tot thoeis.

Hoeveuil kost da? Vroeg’n on maai moeder, a ne frang antwoude ze. Ik zet oek in zaten en twaa lukke daane kie wont’n oek. Hij mocht de perperkoek dat’n gedroege haa mij norhoeis nijme. Dei pierperkoeke woere toen schoen verseed, me bloemekes van roe soeiker en vantaaid stond t’r in ‘t midden het joergetal in, in witte soeiker. De chocolat va Victoria damme verkochte, da was faaine zenne. De smalle stukke koste twientig cens en brie stukke vieteg cens.

Noe Butstraen es Julleke den bolleman gekomme. Dane kwam van Leuive me z’n peerd en keer. Zaai gespan zette hij altaaid baai Mandus in de Pieperstroet. Hij verkocht oan ‘t gewicht en oan de meiter – op ‘t deksel mokte hij z’n riekening. Julleke droenk gere ‘n pint te veuil oeit aa zette of legdege ze Julleke op z’n keer, ze goeve ‘t peerd e klopke en ‘t leep reigelrecht me Julleke noar hoeis.

Pateikes leiverde Vandewouwe van on de Chien Vert, doe dei stroet in. Zoe kwam ze ne kie pateikes leivere en ze vertelde toen van da accident met de kooinink. ‘t Was moe just vooigevalle za ze. Zoe wiste waaile da ien van d’ieste in Terveure dat de kooinink van den berg gerold was.

Kreem da’n moktem-oek. In de kelder emme nog altaaid ne put woe damme ons aais in legde vooi de giel wiek. Ons kreemvat stond doe oek, da was een sout tonne en in dei tonne stond het vat woe damme de kreem in droeide. Tussen de twie legdemme aais en grouf zaait, da was ve de kreem te bevreze. Onze Jef, da was m’n breu droeide dikkes de kreem en den zoengen altaaid leekes oeit de kerk. Zoe hed dattem nie hoede as waaile van bove den trap ont roepe woere.

Onder den ourlog woere’n er gien galette of hourekes, we smierde toen onze kreem op een sourt hostie, persees gelaaik in de kerk. Deii verkochtemme toen on teen cens vaai ‘n klaan en vaaifentwintig cens vaai ‘n groete.

In 1924 kochtten we het hoeis ee neffe nr. 56. Filemon mokte doe toen d’hanke, Jules va Tis kapte de dra deuire tusse de twie hoeize en d’ander werkskes dei Jefke Kabberdoes. In het oud hoeis hielden we stammenee en in ‘t neut de winkel me ellegoed, bolle en speilgoed. In danen taaid kwoeme de werkmanne en balleroepers van de Kaaiter veuil baai ons met de koete speile; g’aait Frei van Laye, Torre – den breu van Maree Kabbas, den Beire en Jefke da met de machinnekes rij. Dei manne koste vertelle en gelache damme toen emme. Zoe kwam’k ne kie me n’n bak bee oeit de kelder en oan de deui blijvek me de maa van maaine veusgoet in de klink oepere (we droege toen zwette veusgoes me nogal brie mave) den bak schout oeit m’n hanne, ik herpakte en ‘k pakte in de flesse – e stukske van m’n twie middelste vingere. ‘t Was er nie groet en as we deui ‘t cafei ginge me nen bakk bee moeste me den bak bouve onze kop steike anders gerokten we nie tot on den toeg.

Tot 1932 hemme stammenee gaave en dernoe emme doe den ellegoedwinkel gemokt. Maai moeder iet de winkel gaave tot in 1953, den hemme’k ik hem overgenoume. Tot 1958 stond ik er allien vooi. Ik stond toen om 4 eure op en vooi dat de winkel oupe ging aak al den hof en ‘t land gedoe. In 1958 den emme den ellegoedwinkel gemoderniseid oemdat maai zuster Maree daan ging oupen haave. E joer of dra terug es hem tougegoe.

Veui de moment goed de commerce nog altijd goed, keuis es er oek genoeg, in van alles.

Chocolat, van alle soute – bolle, dikke en klaan, zeute en zaaite, hette en malse – lekstokke, van alle veurme en koleuire – kaaisebanne – toeverbolle – lange janne – maspin etc

Spoerverkes en van alle klaa speilgoed, alles es er in ‘n klaan reuimte en me veuil orde geplasseid. Vantaaid zere de kinder tot boeite toe fil doe. ‘t Es thoupe da Julia nog lang d’r mag bleeve, zoe kunne ons kindere en klaankindere oek nog goen koepe veu ne frang of twie, want da bestoet’r neeverst anders nemie in Terveure.

De Jotten

Hedde van de familie van de Jotten hure spreike? Dee woende in de Wijngoedstroet, hove bij den Arts. Da was en erm huizeke me en aa scheupoot. Da woere Susse, Charel en Katrien, twee breus en e zuster. Da was just vrumt ras. Oen ‘t gezicht koste ni see dat ‘t witte of zwette woere, want wasse da kinde ze ni. Allien mè Posse en ‘t sondoegs woere ze’n bekke kleirder. As ge oen Charel vroog, ge’t zeker houille gelost? Den antwoode hij ‘nie gedoeme, ‘k moeit mij nog wasse’. De Jotten woere brave, stille minse, moe werke deie ze ni veul. As ze draa woode zegde, den was er toch ne ‘begot’ of ne ‘gedoeme’ bij, moe da was naa toch nie vloeke.

In ‘t begin van de Vaste stond de Susse al te kloege “binne t’keut est begot Posse en te biechte goe, gedoeme, enden nie wiette wa zegge. Um twie eure ‘s nachts stonne z’oen de kerkpoot. Ze weudde van tijd geploegt van de kindere as ze van ‘t school kwoeme. Den ginge ze op de deu stampe en Susse en Charel stonne achter de deu te vloeke. Ne zekere kie ginge ze e verkeskot baave, z’aa toch wa stiene gevonne. ‘t Werk ging goed en ze woere fier. Na passeede doe ne man en daan heel da werk in ‘t oeg en vroeg “langs woe moet da verke binne?”. Charel bezag Susse en Susse bezag Charel… “Ara begot, na es er gien deu oen ‘t kot!”.

Katrien es d’ieste gesteurve. As Charel de kist van Susse ging kommandeire zaa’n “onze Charel, onze Charel es gepasseed”. De schrijwerker antwoodde ‘nie gezee man”, moe hij wis ni dat Charel zeek was. Moe hij is begot doet zaa Charel.

De Horen 1975, 161-162

Den Bak

Den was er oek nog den Bak. D’aa minse van Terveure hem daan nog gekind. Da was oek ne rare vogel. Ge kost’em kinne oen zenne mond, want daan was toemelijk groet. Den Bak kost ni goe spreke, t’was ne n’hakkelier. t’Was e klaa manneke. Hij droog gemaanlijk ne zave keel. Hij woende op de Kapelle in e klaan huiske. Doe woende n’oek Leeze Mamma en den Bak gink doe veul zitte. Den Bak bezat ni feul, moe haa veul noedeg veu zenne groete mond. Hij was geere gezee van de gebeure. As de gebeure e verke doed dee, kreeg den Bak ze stuk. Was het kermes, den Bak was overal te zee. Den kreeg’en ‘n pint van alleman. Da refezeede hij ni.

Jo, jo, da, da d’es good, stotterde den Bak, want da deeë’n nogal neig. Den danste hij op de toefel in de kafeskes en zoeng ze lijfstuk: “Es da gien schand, evu zoe ne vent, dat’en ze kalf nie bieter kent”. De minse goeve hem nog’en pint en den bak trok zoeë van den iene kafé noe de n’andere.

Fibber

Fibber was oek’en bekinde figeur in de gemeinte. As’n en pint te veul haa, dan danste hij op zenne koeiwoege, me zen slip uit zen broek. Hij haa e kafeske op den hoek van d’Oppotstroet. Zen vraa, Kristine, was e koek mins me ne groete sjaal over heur schaves en e wit kappeke op eure kop. Fibber da was ne’n echte lemme, moe Kristine da was en echt serpent. Werke deed Fibber ni gëere. ‘s Merges moest’en vreug zen bedde uit, kreeg ne’n boterham en moest me de koei noe ‘t veld. Moe Fibber bleef overal lameere en tege de noen haa hem nog ni veul uitgestoke, moe Kristine zat er achter.

Hij was oek me alles veul te loet. Zen patate deen uit in November, da zen vingere bevrooze woere. Fibber ie is een avonturke beliefd. Van zen Kristine kreeg’en nie feul tussen zen tanne. Op ne kie trok’en op zen blokke en ne veule jak oen noe ‘t hotel Saintignon (da stond tege de kazerne).

Menier Saintignon daan kinde gie vloms en Fibber gie Frans, moe tog genoeg veu ne goeien diner te vroege en en goei fles wijn. Alles a goe gesmokt en de garçon kwam me de riekening. Fibber zaa ‘pas d’argent, pas payer’. Doemee was Saintignon ni t’akkoord en sloot Fibber op. Kristine most komme, moe teege ‘t frans van Saintignon kost ze nie op en ze moest doe 12 zilvere frangskes neelegge. Fibber haa ferm geete en thuis kreeg’en n’en desseer van de stok dat’en lasteg zal vertied hemme.

Zen twiede avonturke da was heel andes. Langs den Hoeveustweg haa Fibber e stuk land. Na wilde da just lukke dat’n ne keer me zijk noe ze land ree en op ienege metes wandelde koinink Leopold II. Hij kwam regelmoetig wandele in Terveure. De keer van Fibber bleef hoepere in de keerspore op de eereweg en het leste vat zijk kloenk van de keer en Leopold II moest er mee lache. Da was in ‘t joer 1885.

De Horen 1975 64-65

Jan Pap

De Horen 1975, 161-162

Den echte noem va Jan Pap, da was Jan Pappaert, moe de minse aa zenne noem verkeut. Daan gink peuter roope in den bos. Was er ginne peuter den tus’ten toch ienege greun tekke afzoege; kwam den just de garde den moest Pap noe de juge. Moe de juge daan kinden’hem, want Pap aa t’geld ni veu in d’anne van de garde te stoempe, en de genevel d’aan droenk’en lever zelf oit. Jan woende in de Vekedelle, keut bai den bos, moe z’en hoizeke es oek al lank weg. Noe de doed van zen ieste vraa was het tristeg allien te bleve, en Jan gink noe de Vloeindere, veu z’en twiede vraa te zeuken. Moe den begost de mizere. Op ne kië was’en bezeg in z’en scheu, en zen vraa sloog me e dik stuk aait op zenne kop. Jan lag va z’e zelve in ne plas blood. De gebeure reepe de gandareme, moe Jan was ne goeie man en vroog oen de police zen vraa te pardoneere, en toch ni noe Leuve te goe bij de juge. Moe zen twiede vraa ie d’oek ni lank geliefd. Den was Pap oek ne soekelier, zenne kost was moeger en flaa. Jan aa moe ie koemerke, veu in t’eete en te sloepe doe stonnen iemer woeter veu te drinken. s’Mondoes zatten in t’kafee en t’soeves trok’en zat noe zen hoizeke. Pap aa oek e gebrek, de letter R kost’en ni oitspreke, en den zonk’en “Blavo, blavo, flolence dloegt den dlapeau”. As t’pensoon opgekommen es dee Jan e zatsel, “t’kan el af” za Jan. Noe nen tait moest’en zen hoizeke in de Vekedelle verloete, den trok’en noe e gangske in d’Hoornzielstroet, tege de patronage. Doe brochte de gebeure heum e wa d’overschot veu t’eete. Hai bezat ien talloer, moe ze weudde ni afgewasse. Jan wast heum iene kieë, assen moest goe stemme, en assen veu de speegel stond za’en “naa zal den bulgemiester mai bezee, d’aan was nog va main klas”. Jan gink regelmoetig noe Brussel veu peuter te verkoepe, den kost’en e wa broed en genevel koepe. De gebeure aa geziet dat’en noe de zusters in t’kloester moest goe veu peuter te verkoepe. Pap trok noe Brussel, en hai paasde alted oe moeitek naa dee maseurekes oenspreke. Pap aa gebeld, en e maseureke dee de poot ope, moe Jan was’er va gepakt, en zaa “Maseul, ere gien zwette zustels van doe”; ze paasde dat ne zot was en sloog de deu toe, en Jan aa niks verkocht. Jan es ne n’ave man geweude, wel neegeteg joer. Hai es den noe t’hospice gegoe, moe bedde en goeie kost was Jan ni gewoen, en Jan trok alted noe zenne stroezak, moe va groete mizere es Jan den toch in t’hospice gestereve.

Jefke Radaai

De Puttestroet was vreuger ien van de triestigste stroete van Terveure. Doe woende in e n’ermzoeleg huizeke Jefke Radaai en z’n vraa Marianne. Jefke was nie groet, zwet va gezicht, iniegedroenge en getatoeweed as ne zwette van de pukskes. Wel fijftig joer ieten peuter verkocht in Brussel en ze ginge n’oek biedele. t’Sondoegs zoete ze den hielen dag in de kerk. Oen de grot ging Jefke Radaai oek leeze, da woere nog goei brave minse. Oep ne kie was Marianne zeek, moe den doktoor mog ni komme, ze vroeg pastoer Van Lint, daan zaa heur wel geneze.

In Terveure woere n’oek toeverhekse, da was Leeze Totte in heure zwette kapmantel, dee woende op de Kapelle. En den oek nog Neleke Oolhakker daan gaf les van katekismus oen de kindere da moeste blijve zitte veu heule plechtege komeune. s’Oeves wast bal bij Neleke Oolhakker, blokkendans oep harmonika. Hij verkocht oek “Het Neeus van den Dag”. Daan woende in t’Pastoerstrooike.

In de Kastielstroet doe woende Meeke en Babette Havaart. Dee zoete me n’hiel famile katte: de bieste woere fel bedeureve. Moe ze weudde n’altijd g’ambeteed deu de stroetjoenges.

Zaa ne ki n’kat me eure steet oen de belle van de deu gange. De mode da volgde ze ni. Ze kwoeme alted noe de kerk me ne “crinoline” e klied mè riepe, brieder en brieder noe benee gelek Marie-Louise.

In de kerk stond het klokhuis vol mans en ze stoene keut tegen n’ieë, den koste ze lasteg binne mè heule brie rokken.

Kobe de mosselman

‘t Es gelukt, ‘k mag oek nog eet vertelle. ‘t goet over Kobe de mosselman. Daan woende op de Peeremet in e lieg huizeke da alang weg es. Kobe daan ging ‘s vrijdoegs rond me mossele. Ei aa ‘n gooi stem en reep ‘mossele’. Zen kliere, zen keer en zenne eizel stoenke noe de mossele. In sniëe en riege, werm of steurm, Kobe ging regelmoetig noe Mechele zen mossele koepe. Van doe trok’en noe Perk, Stienokkeziel, Noskoem en Sterrebeik en ‘t vrijdoegs kwam’em terug in Terveure en leep’em langs de stroete me zen mossele tot da zen keer lieg was. ‘s Zondoegs kon Kobe en zenne eizel venër goe reuste.

De Horen 1975 36-37

Loweke Dimanche

En na oek nog e wodeke over Loweke Dimanche. Da was zenne n’echte noem. Ne goeien beurger, de zon van ‘t deurp. Overal woe da Loweke kwam was er plezeer. Hij kos zinge gelijk ne nachtegoel en vertelle da kosten oek. Loweke was oek zanger in de kerk. Hij zoeng er schoen solo’s en de minse leusterde hiel stil. Oek d’heilige stoene er paf van. Wannier de minse in de wiek meug woere van te werke en ze t’sondoes e wa plezeer zochte woere ze kontent van Loweke t’hoere in de café. En den boes was den oek kontent want de minse woere in ‘t plezeer. Loweke mokte zelf z’en leekes, zelf op de stroete van Terveure.

Ne kieë gink’er n’en Terveurenier noe Leuve e verke koepe. Moe hij was in de café “de Veer-Winne” binne gestapt. Doe aän n’en “Allée” gevroegd en d’er twie-draa gedroenke en Loweke zoenk: “Allée es goeien drank, moe ze verke gink ne gank”. Den hiet’en oek nog e leeke gemokt op d’ieste Kapellekermis.

Loweke a alted zenne n’hoed bij, moe noet op zenne kop. Moe den was’er oek nog n’en n’andere bekinde zanger: Free van Treezen Os, da was ne plekker. Free zoenk oek in de kerk da de ruite rammelde. Op ne zekeren dag was’en in Brussel n’cisteere oent plekke en hij zoeng. De minse da passeede leusterde. Na stond doe n’en hier bij van ‘t conservatorium en beloofde hem als zanger oen te pakke. Moe Free was ni gelied en hij verstond hem oek ni en de Free refezeede. Zo kinde me in Terveure en in de “Choeur” n’en tenor en ne compositeur.

Lucie en Engeloom

In Terveure zen gien minse nemi dat dee twie aakes hemme gekint, moe wel van oere spreke. Ze bewoende a klaan hooizeke, bewerkte e stukske grond me nen trekhond. Ze woere erm, moe altijd kontent. Ze woere 70 joer en ze volgde nog altijd de mode van de joenge joere. ‘t Zondoegs ging tante Lucie, noe de vreugmes en ze droog altijd eur traamantille. Engeloom, da was heure man, daan gong noe d’hoomes me ne zave kiel en muts.
In de lange winteroevende zinge de kindere doe den oevend passeere rond de stoof en in ‘t licht van de petrollamp. Engel-oom verteld over vreuger joere. Den leesde ze de roezekrans en ginge ze sloepe. ‘s Merges stonne ze vreug op en da wiste de kindere uit de gebeure.
Op ne kie, ‘t was in ‘t holleke van de winter en de snie lag dik. Veu ‘t lieg hooizeke haa de kindere hoepe snie veu de deu en de vindsters gescheupt en wel tot tege ‘t dak. ‘s Merges as Engeloom wakker weudde, bleef et doenker, moe z’aa ginne voek nemi en de moeg begost te rammele. Noe lang wachte stond de man op, dee de deu ope en reep op zen Lucie ‘ons huis es onder gesnieft’. Den ginken ze op zolder, kroope deu ‘t dakvinster en zoege wat de joenge manne aa’en uitgestoke.

Pook

De Pook da was oek nog ne plezante gast, ni te moeger en ni te vet, moe alted vuil en zwet. Pookske kost’em ni good explikeere. Veul letters zaän mis: de V, de R en de D kost’en ni uitspreke. De letter L zaän veu de R, F zaän veu V en de T veu de D.

‘t Was nog ne joengman, hij woende in de Bergestroet. As’en vijf woode geziet aa, vloekte hij “Slotfeltoeme”. Ne steel kost’en ni. Hij gink overal heulepe, op ‘t veld, kommisses doen en was kontent me ‘tgeen dat’en kreeg en den ginken oep de lappe.

As de minse zaä van te spoere antwoodde Pookske: “Slotfeltoeme, alles moet op, ne mins es steulfelijk”. As’en op ‘t veld wekte veu patate uit te doe, brocht ‘en z’en fles genever mee. As ze lieg was den zoenken de Brabaçonne, ofwel van: “Malie, ge moet kipkap hoele op de met, bij Babet en taan es te kipkap fet”.

En den lag’en op ‘t veld te roenke. Van z’en huismistes kreeg’en ginne sleuter en as’en en ‘s nachs thuis kwam sloog’en me ne stok op de ruit, moe hij mog ni binne. Den reep Pookske: “Toet ope, Pookske es ee; toet ge ni ope, tan kluip ik bij Malske”.

Malske da was den hond en Pook trok in ‘t honnekot. Pook werkte n’en tijd in ‘t hotel du Parc. Doe deen ‘t vuil werk en komisses veu de bazin “Rosse Thiry”. Hij vertelde oen de minse: ik kan er mee trave as’ek wil, moe t’goe ni slotfeltoeme. Van in de Bergstroet ie Pookske ze koemerke moete verloete en trokken noe ‘t Pastoerstrooike. Doe es en den gesteureve.

 

Cartoons

Mijn galle loopt over


Ze hebben het altijd op mij geladen


Ne freut trekken


Het is bal op de bootjes


Iemand tegen zijn gileet trekken


Iemand aan zijn garen trekken