Luisteren

In de loop van 2010 werden verschillende interviews afgenomen bij inwoners van Tervuren. Uit elke dorpskern werden twee mensen gekozen die meer vertelden over hun leven in Tervuren. Steeds met de nodige portie nostalgie, emotie en spanning.

Marcel Debot

Marcel vertelt over zijn kinderjaren in Vossem en zijn leven als misdienaar. Hij moest altijd helpen als er een begrafenis was in het dorp. Af en toe kwam ook de deugniet in hem naar boven, zoals toen hij stiekem sigaartjes rookte.

Geboorte

geboorte

Ik ben geboren in Vossem, de eerste september van het jaar ’24. Mijn ouders waren Liza van Staaf en Mil den Bot. Ik ben geboren in ’24, de eerste september, en dat viel net de maandag na de kermis maar ik ben niet meer uitgeweest, dat ging niet.

Ik ben dinsdag al gedoopt, want vroeger moest je meteen gedoopt worden. En ik had de doopmantel van mijn vader aan. Dat was een kanten sjaal met franjes rond.

Nadat ik geboren was, heb ik de charleston gedanst, maar in mijn bed. Later, toen ik vier jaar was, ben ik eens ernstig ziek geweest. Toen had ik ‘pleuritis’. Dat was een kwade ziekte toen, er waren nog geen medicamenten zoals nu. Dat was heel gevaarlijk.

Dan ging ik naar school, maar op school hebben ze gezien dat ik slechte ogen had. Want ik moest de kaarsen aansteken in de kerk met een lange stok met een wiek eraan. Dat waren hoge kaarsen en in plaats van op de wiek, duwde ik er altijd naast. En het nonnetje dat in de kerk zat, had dat gezien en ze heeft aan mijn ma gezegd: “Het is tijd dat je eens met hem naar de dokter gaat want ik denk dat hij iets aan zijn ogen heeft.” Toen was ik al misdienaar. Maar ik ben misdienaar geworden rond mijn negen jaar. Toen kwam er een van de nonnetjes thuis binnen en die zei: “Kan jullie Marcel geen misdienaar worden ?” “Jamaar”, zei mijn ma, “dat gaat allemaal zo gemakkelijk niet.” En altijd maar zagen en zagen en op de duur zei mijn ma: “Awel, hij zal het dan wel doen.”

Begrafenissen

begrafenis

Met een begrafenis was ik ook altijd van dienst vermits er geen koster was. Er moest ‘rouw’ gehangen worden in de kerk, en die rouw werd gehangen aan het houtwerk vooraan aan het koor. Dat was boven, want dat was heel lang en bedekte helemaal het houtwerk van het koor en dat waren allemaal zwarte doeken. Boven waren er haakjes en de doeken werden daaraan gehangen. En ik moest dat ook allemaal al doen, vermits er geen koster was. Die kwam wel de mis zingen, maar voor de rest deed hij niets.

Waar er ook een kruis hing, was op het altaar. Want je weet de pastoor deed altijd de mis met zijn rug naar de mensen vroeger. En dat altaar, dat was altijd een trapje op, en een zwart doek met een wit kruis, hing er altijd. Dat was groot en moest vrij hoog gehangen worden.

En dan was er de lijkbaar, waar de kist werd ingeschoven aan het koor. Rond de lijkbaar stonden vier grote kandelaars. Op die kandelaars waren natuurlijk vier kaarsen en aan die vier kaarsen was een doodshoofd gebonden. Dat was vastgemaakt met een lint aan de kaarsen want die moesten nog een volgende keer ook dienen want dat waren dure en grote kaarsen.

Als het offergave was, moest ik voor de lijkbaar gaan staan, vóór het lijk, en de mensen gingen langs de ene kant rond de lijkbaar en ze kregen iedere keer een kaars mee. En die kaars hielden ze in hun hand en dan gingen ze met die kaars rond de lijkbaar, maar dat volgde altijd hè. Dus er waren verschillende kaarsen, maar als de eerste opnieuw aan de lijkbaar kwam, gaf hij zijn kaars weer af. Ze vormden een cirkel, zie je?

Na de dienst werd het afscheid gezongen en na de mis gingen we naar het kerkhof. Het kerkhof, daar lagen ze dicht op elkaar. We hebben meer dan één keer voorgehad dat de putmaker zijn put te klein was. En dan zaten ze daar.

Sigaartjes

sigaartjes

En op een zeker moment geeft de pastoor van Leefdaal drie sigaartjes. “Dat is voor uw vader”, zegt hij. Ik zeg: “Ja, meneer pastoor, ik zal hem die geven.” Maar je weet, als je dan al tien, elf jaar bent, dan wil je al iets proberen ook. En Gustaaf – dat is mijn tweede naam, zie je (lacht) – Gustaaf die zegt tegen mij… Ik zeg als Gustaaf, ik zeg: “Gustaaf, ik ga eens proberen van die drie sigaartjes op te roken.” Thuis lucifers gevonden en die stiekem opgerookt, maar… zijn Marcel en Gustaaf ziek geweest! ’t Is niet te beschrijven!

 

Maurice Dierickx en Eugenie Vanderperren

Maurice en Eugenie wonen in Vossem en blikten voor ons terug op hun kinderjaren. Maurice knalde eens de venster van de buren aan diggelen met een katapult van de kermis. Eugenie hield het deugdelijker en vertelt hoe ze als meisje deelnam aan de processie.

Katapult

katapult

We trachtten zoveel mogelijk zelf te winnen van groenten. Daarom hadden we ook veld. Er werden altijd twee varkens vetgemest. En natuurlijk, die moesten op tijd een keer. Het kot moest schoongemaakt worden. Die liepen hier op het binnenplein. Daarvoor moest je nog niet groot zijn om die tegen te houden met een stok in handen: een jong kind kan ook al hard slagen. Het varken merkte dat wel als hij wou doorkomen, voorbij komen om in de tuin te gaan. Dat was mijn job dan, om op de varkens te letten.

Dan had ik toch een keer op de kermis een katapult, dat was zo’n slinger. Terwijl ik aan het uitkijken was, had ik toch een steentje gepakt in die slinger om met die slinger naar de mussen te willen schieten. En dat was rechtover bij de buren, bij Riekes zoals we zeiden, de venster in. Ik deed alsof ik van niks wist. Riekes was dan buiten gekomen om te kijken wie dat gedaan had. En ons moeder had nog gezegd: ‘Ja, de onze is het niet,zenne, want die heeft bij de varkens altijd gestaan’. Maar ik zeg: ‘Dat is goed, dan ga ik er nog een schepje bij doen. Ik geloof dat ik Willy van Marie Stuyck hier zien voorbij lopen heb.’ Riekes ging daarheen. ‘Neen, dat kan ook niet zijn’, zei die zijn moeder, ‘want die is hier niet weg geweest’. Oei oei, dat was een probleem dan, hé. Maar mijn geweten begon dan toch tegen de avond te knagen, zenne. Dan heb ik dat toch bekend gemaakt dat ik dat gedaan had. Ik had geen enkele mus geraakt, maar ik had de ruit wel.

(Onze-)Lieve-Vrouwmeisjes

lievevrouw

Wij waren (Onze-)Lieve-Vrouwmeisjes, zegden ze daar tegen. Wij moesten de Lieve-Vrouw dragen. Elk jaar op de hoogdag, Ons-Heer-Hemelvaart, gingen wij rond in alle huizen, kloppen en bellen voor de processie, om iets te geven voor de processie. Wij waren de Lieve-Vrouwmeisjes. En ja, in de processie gingen we dan met die Lieve-Vrouw, en dat was zwaar op je schouders, daar waren wel kussens aan, maar dat was toch niet eenvoudig.

Maar nu om nog iets van die meisjes te zeggen. Elk jaar gingen we bij die dat erbij gekomen waren. Daar dronken we een glaasje wijn, en dat werden er soms twee. Allee, dat was plezant, en dan waren we goed gezind. En zo was er toch al het een en ander. Maar als we in de processie gingen, droeg Maurice de hemel. Net achter de Lieve-Vrouw kwam de pastoor met zijn ciborie en zo. En dat waren vier jongeren die de hemel droegen. En zo zagen we elkaar dan toch ook al wel een keer.

 

Gilberte Sterckx

Gilberte beleefde een aantal gebeurtenissen die een grote impact op haar hadden. Op jonge leeftijd verloor ze haar vader en als moeder verloor ze ook een dochter. Vol overgave werd ze onthaalmoeder en had ze bijna altijd kinderen rondom zich.

Het beroep van haar ouders

ouders

Mijn ouders waren alle twee van Moorsel. Die hebben altijd een café gehad op de Kerkweg. Nu is dat de Pachthofstraat. Dat café was mijn ouders huis. Mijn vader die reed met bier, met paard en kar met bier. Mijn vader was slechts 51 jaar toen hij gestorven is. Ik was 11 jaar toen hij stierf. En dan waren we nog met vier thuis. Dan is mijn moeder dat blijven voortdoen, haar café. Naar het veld gaan, witloof, graan, aardappelen, bieten. En ze is dat blijven voortdoen met paarden, paard en kar, totdat mijn broer oud genoeg was. En dan hebben ze uiteindelijk een auto gekocht, want ja, dan ging dat allemaal niet meer. Ik heb zelf ook meegereden omdat zij niet meer kon. En dan gingen mijn broer en ik.
‘s Morgens werkte mijn broer dan voor mijn moeder, voor met bier te rijden, he. En dan was dat zo van huis tot huis dat je ging. Dat bestaat nu allemaal bijna niet meer, dat er nog een brouwer komt. We zijn in ’63 getrouwd. Ik heb dat toch tot in ’66-’67 gedaan, tot dan ging ik nog altijd tot in Vossem. Ik reed dan met het bier tot in Vossem. En dan ‘s morgens, als mijn broer ook ging, niet ‘s namiddags. Mijn broer speelde accordeon. Hij gaf les. En ja, dan moest hij voor zijn huishouden zorgen, want ‘s morgens gingen wij dan mee met moeder om te helpen. Zij ging dan al bij de mensen kijken om sneller vooruit te gaan, ‘moet je dat hebben?’. En dan gingen wij dat afzetten natuurlijk. Mijn moeder heeft haar café gehad tot in ’76.

Onthaalmoeder

onthaalmoeder

Toen ons Sabina was gestorven, was ons Lucia zeven maanden oud. En een neef van mij, die had een zoon die even oud was. Van Yvonne, van Vanderbiest van in Vossem, haar moeder heette Irma. Warre woonde aan het station.

Yvonne was hier eens geweest en ze zei: ‘Wil je dat niet doen?’ En dan in het begin zei ik, wel ja. Dan had ik ons Myriam, ons Veerle en ons Lucia was dan nog een klein kind. En dan ben ik begonnen met Benny bij te houden.

Dan was zijn zuster in verwachting, dan is dat kind ook gekomen en zo is dat dan altijd beginnen groeien. Dan waren er toch momenten dat ik vier kinderen had van dezelfde leeftijd. Maar dat helpt je vooruit, je bent bezig, je moet werken.

Want je weet dat de kinderen eten moeten hebben. ’s Morgens voor de kinderen komen moet uw huis proper zijn. En dan moeten die kinderen verzorgd worden. Je moet eten maken, en na schooltijd komen de kinderen thuis. Je moet werk hebben.

Liedjes

liedjes

In de hoek van de schouw
Daar zat een oude vrouw
En trekt aan haar tenen dan komt ze bij jou
’t zal wiggelen, ’t zal waggelen
In den hoek van de schouw
’t zal wiggelen, ’t zal waggelen
In de hoek van de schouw

Roebedepoep zat op de stoep
En zo gaan wij dansen
Het haar in de hoed, het gat in de broek
En zo gaan wij dansen

Ge moogt het weten
Ze hebben gescheten
Op de tram die van Leuven kwam

 

Georges Craps

Opmerkelijke woorden en uitdrukkingen in het Tervuurs dialect

Tervuurs_01

Tervuurs_02

Tervuurs_03

Tervuurs_04

Tervuurs_05

Wie is Georges Craps?

Georges Craps werd geboren op 31 augustus 1926. Na het overlijden van vader Louis (°1885 – †1935) kenden Georges en zijn moeder Maria Vlasselaer (°1888 – †?) moeilijke jaren.

In 1944 studeerde Georges af aan het Koninklijk Atheneum van Brussel. Hij ging aan de slag als opsteller bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Eind 1944 werd hij oorlogsvrijwilliger. Zijn opleiding kreeg hij in Noord-Ierland, in de omgeving van Belfast. Nadien volgde een korte bezettingsperiode in Duitsland.

Begin 1946 zwaaide Georges af; hij ging werken bij het Bestuur van het Zeewezen. Vanaf 1 april 1949 werd hij klerk bij het gemeentebestuur van Tervuren en in 1958 werd hij bevorderd tot gemeentesecretaris.

Op 25-jarige leeftijd trouwde hij met Maria Verheyden en in 1953 werd hun zoon Jean-Louis geboren.

In 1986 ging Georges met pensioen. Hij had gewerkt onder vijf burgemeesters: Van Dyck, Soetemans, Keyaerts, Vanfraechem en Foccaert.

Georges was jaren voorzitter van het jeugdcomité van de voetbalploeg New Star Tervuren (nu KV Tervuren). Daarnaast is hij gepassioneerd door het tuinieren en werkt hij intensief mee aan de bewaring van het Tervuurs dialect.

 

Gabrielle Cordemans en Maria Puttemans

Een dialoog tussen Gabrielle Cordemans en Maria Puttemans uit Duisburg. Gabriëlle vertelt hoe ze als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog werd lastig gevallen en net kon ontsnappen. Een ander verhaal van haar gaat over de kermis, of slechts een bezoekje aan de kermistent dat haar zuur zou opbreken.

Een zak meel

Een zak meel

Gabrielle: Tijdens de oorlog moest ik eens naar Vossem. Wij gingen naar Vossem, naar de molen met ‘verrekes’, koren en korenmeel.

Maria: Ja, ja.

Gabriëlle: Daarmee konden de mensen niets doen, maar dat zie je niet meteen. Ik ging naar Vossem, naar de molenaar dat wegbrengen. En zaterdagnamiddag moest ik dat gaan halen met de fiets. In mijn fiets, in dat ding aan mijn fiets, zo. Dat zat erin, en zo moest ik rijden.Ik keerde terug van de molen en aan de Vossemse poort, aan de muur buiten, stonden er twee, zo met hun rug tegen de muur, met hun regenjas aan. En die stonden daar. Maar ja, zou jij daar wat van denken?

Maria: Ah neen, als kind…

Gabriëlle: Neen, je denkt nergens aan he. Ik ga door en ik kom daar aan. En als je zo van rond de vijver komt, dan stond daar een kiosk, met sigaretten en dergelijke. Dan kon je daar iets kopen, in dat klein kotje. En die vijver ging daar zo rond. Als je van aan het Spaans Huis zo rond gaat, dan kom je daar uit. Met de fiets. Met de fiets en te voet.En ik zag daar iemand aankomen.

Maria: In het park door, dan?

Gabriëlle: In het park, ja. Tegen de vijver, he.
En die rijdt zo achter mij door, en de andere rijdt voor mij door: ‘Nu nog niet. Zo meteen’, zeiden ze tegen elkaar. Maar toen kreeg ik schrik, he Maria. En ik kon mijn fiets niet draaien omdat die dikke zak van 60 kilo daarin stak. En ik heb die fiets toen omhoog getrokken en ik heb hem op zijn wiel gedraaid. En ik ging toen zo… En ik had mijn pomp in de handen. En toen ben ik zo bij, euh, bij die eerste huizen, Josephine die had daar een tante wonen, als je juist het park uit bent.

Maria:
Ah ja, van euhm, ja. Fiene.

Gabriëlle: Ja, Fiene. En aan die kant woonde de slager. En daar heb ik met mijn pomp op de venster geklopt. Die vroeg niet meer en heeft mijn fiets binnen getrokken, en mij binnen gehaald, en daar hebben ze mij op een stoel gezet en toen heb ik zo zie, gebeefd.

Maria: En wat voor mensen zouden dat dan geweest zijn? Dat weet je niet?

Gabriëlle: Ik heb die niet meer gezien, Maria. En ik heb niet omgekeken ook niet. En toen is die man met mij meegegaan, naar huis, om mij af te zetten, tot hier in ten Hertswege, en toen is hij opnieuw naar huis gegaan. En toen zijn ze daar op zondag opnieuw naartoe gegaan. En ja, ze stonden daar opnieuw he, zei hij.

Maria:Echt waar?

Gabriëlle:Ze stonden daar nog, zei hij.

Maria: Ja? Dat zullen dan toch twee onbetrouwbare mannen geweest zijn, die daar stonden.

Gabriëlle: Ja, zij waren uit op die zak, Maria. Zij zouden mij misschien niets aangedaan hebben, maar dat was een dikke zak meel, en dat was tijdens de oorlog, he.

Maria: Ah ja

Gabriëlle: Dat was tijdens de oorlog. Maar zij konden daar niets mee doen, want dat was om ons varken dik te maken. Dat was korenmeel.

De kermistent

kermistent

Gabriëlle: Mijn meter woonde in Ten Hertswege en ik ging bij Flor spelen. En Flor zei: ‘t is kermis, kom we gaan eens in de tent. Bij Fille Goossens, naast Fien Jakke, daar zetten ze met de kermis altijd een tent. En ik ging mee, met Flor, eens zien in de tent. Daar stond niks. Die tent was leeg en wij gingen daar rond. En ‘s maandags kwamen wij op school. ‘Jullie zijn naar de tent geweest’. ‘Ja, we zijn naar de tent geweest’, zeiden we. Weet je wat ik daarvoor heb moeten schrijven? Duizend regels straf. Omdat ik naar de tent geweest was. Ik en Flor van Fiene Jakke.

En Flor, die ging bij zuster Ida (dat was boven), en zuster Agnès en zuster Ida. Wij moesten op de bank staan, voor het venster en buiten zo (maakt gebaren). En ze kregen mij daar niet op. Ik ding daar niet op. Flor ging erop staan en ik ging daar niet op. En weet je wat ze met mij gedaan hebben? Naar zuster Julienne, en daar op de ? heb ik mijn duizend regels straf moeten schrijven op mijn benen. Al rechtstaand. Alle dagen, mijn straf. En toen mijn vader gestorven is, toen ik dertien jaar was, kwamen de zusters mijn vader bezoeken en zuster Julienne haalde iets uit haar spullen.

‘Hier’, zei ze, ‘ik heb nog wat bij voor u.’ Ik zeg: ‘Ah ja?’ ‘Ja’, zei ze. En ze gaf me mijn regels met strafwerk. Ik heb dat aangenomen, maar toen zuster Julienne gestorven is, ben ik niet naar de mis gegaan hoor!

Maria: Ja, in die tijd.

Gabriëlle: Ja, in die tijd. Toen arrangeerden ze ons. En als wij nu nog één mens of één man of één vrouw in die tent gezien zouden hebben, maar dat was niet zo. Er was niemand. En toch heb ik duizend regels straf moeten schrijven.

Maria: Zeg, en zeiden ze toen, precies alsof jullie naar ‘t verderf …

Gabriëlle: Ah dat was in de namiddag, Maria. Wij mochten niet naar die tent gaan. Want Nestor van Geeles, die mocht meegaan met zijn ma en pa, die moest meegaan omdat hij alleen thuis was. Maar wij mochten niet in de tent komen. En toen zat ik daar, in ‘t school. Toen moest ik binnen blijven. En weet je wat ik toen deed? In de wc’s boven en ik keek. En zij ging buiten, en ik, zwiep, ik was weg naar huis. En toen was ze eens gaan klagen bij mijn vader en moeder en toen zei de zuster: ”t is noch vis noch vlees’. En ik moest hier de kelder in. Ik moest toen de kelder in van mijn vader en moeder.

Maria: Je kreeg toen nogmaals straf?

Gabriëlle: Ah ja, de ouders deden mee met die zusters, hoor. Dat was niet meer zoals nu.

Ben Renson

Ben is bestuurslid van de heemkundige kring en woonde zijn hele leven in Tervuren. Hij vertelt hoe de harmonie de ‘Briebroeken’ aan hun naam kwamen.

broeken

Dat was toen ook een speciaal geval. Er was een goede muzikant in het leger. Maar die was met zijn paard tijdens een defilé in de stad geplet onder zijn paard terecht gekomen dat viel op de rails van de tram. Hij had zijn benen op verschillende plaatsen gebroken van het gewicht van dat paard.

Hij kon niet meer bij het leger blijven en toen hebben ze hem in Tervuren aangenomen als muziekmeester van de Sint-Hubertus. Maar die persoon die mankte en die had brede pijpen aan zijn broek. Als hij stapte fladderde die broek altijd rond zijn been. En daarom werd die harmonie de ‘briebroeken’ (bredebroeken) genoemd.

Wie is Ben Renson?

Ben Renson werd op 28 december 1926 geboren als zoon van Ferdinand en Anna Wellens. De lagere school volgde hij eerst in de Mariaschool en nadien in de Gemeentelijke Jongensschool. Om Frans te leren ging hij in 1938 ook twee jaar naar school in Etterbeek. Nadien begon hij aan het Sint Bosco Instituut van Woluwe een opleiding tot schoenmaker maar door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de school gesloten.

Noodgedwongen werd hij dan schoenmakersgast bij Armand en Robert Vanderlick in de Peperstraat in Tervuren. Na zijn legerdienst en een periode als bediende bij de Regie van de PTT trouwde Ben in 1950 met Antoinette Benouwt, een Française uit Frans-Vlaanderen. In datzelfde jaar zou hij aan de slag gaan bij het Provinciaal Bestuur van Brabant. Daar zou hij werken tot aan zijn pensioen in 1986.

Ben is altijd heel actief geweest in het verenigingsleven. Hij was bij de KAJ en schopte het tot bibliothecaris van de Koninklijke Harmonie ‘Het Koper’. Ook schilderen is een van zijn passies. Daarnaast is hij ook al decennialang bestuurslid van de Koninklijke Heemkundige Kring van Tervuren. Hij volgde er in 1988 deken Davidts op als conservator van het museum in de Nieuwstraat.

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

 

Marcel Dehertog

Marcel werkte zijn hele leven als serrist in Duisburg. Hij vertelt aan zijn dochter Moniek dat hij als kleine jongen tijdens de Tweede Wereldoorlog in de buurt een vliegtuig zag neerstorten.

vliegtuig

Een neergestort vliegtuig

Marcel: Die heb ik zien vallen.

Moniek: Waar ergens?

Marcel: Wij waren in Terschueren aan een serre aan het werken. Opeens zagen we een vliegtuig waar rook uitkwam en we zagen hem zo in het bos vallen. En dan zagen we parachute naar beneden komen want hij is op tien meter van bij ons geland. Zijn parachute hing vast in een elektriciteitsdraad.

Moniek: En zijn jullie daar dan naartoe gegaan?

Marcel: Ah ja.

Moniek: En wat waren dat? Engelsen?

Marcel: Ja, Engelsen denk ik. Of Amerikanen, dat weet ik al niet meer. En dan zijn die Walen het bos in gegaan waar het vliegtuig gevallen was. En daar hing ook nog een parachute in de bomen. De parachutist wist niet dat hij in bevrijd België was.

Moniek: Dus dan moesten ze niet bang zijn.

Marcel: En dan was er een jongen van Duisburg, die zijn humaniora had gedaan, die wat Engels kon. En die vertelde hen dat België bevrijd was. Van dat vliegtuig heb ik nog lang brokstukken bijgehouden. Aluminiumbuisjes enz. die we daar gingen afbreken. Dat mocht niet, maar we deden dat als er niemand was.

Moniek: Als souvenir?

Marcel: Ah ja.

 

Els Ronsmans

grootouders

Ik zal eens vertellen hoe dat ging in de tijd van mijn grootouders. Mijn grootvader was Jef Verbiest en die had in Moorsel een stuk grond. Hij was van een goede familie en had ook een koe en een huisje op de Kerkeweg.

Hij had zijn oog laten vallen op Seraphine Cloets. Ze zeiden daar Fin tegen. Op een zekere dag ging hij naar haar en zei: ‘Fin, ik heb een koe, een huisje en ben een harde werker. Wat denk je? Zouden wij samen geen familie kunnen vormen, gaan werken en kinderen krijgen?’

Ze antwoordde: ‘Ja Jef, dat kunnen we eens proberen’. En ze zijn getrouwd. En toen ging dat al volgt. Na hun trouw gingen ze te voet naar Tervuren om te trouwen voor de wet. ’s Morgens vroeg te voet door het veld, daarna naar de kerk en toen ze terug thuis kwamen aten ze rozijnenbrood. En daarna zijn ze in het veld verder gaan werken.

Er waren vier kinderen in dat gezin. Frans, Rik, Victor en mijn moeder Louise Verbiest. En die hebben hard gewerkt. Een mooi verhaal was het volgende. Op het einde van het jaar als ze hun rekening maakte, dan zij mijn grootvader: ‘Fin, wat denk je? Hebben onze kinderen iets nodig? Een paar schoenen, een nieuwe jas of moet je iets anders kopen voor de kinderen?’

En dan ging Fin kijken in de kast en zei ze: ‘Nee, Victor kan de jas nog aandoen van Rik. Frans heeft misschien wel schoenen nodig maar ze kunnen nog een tijdje mee.’

‘Awel’, zei Jef, ‘dan kunnen we terug een stukje grond kopen.’

En zo hadden de Verbiesten toch wel wat grond in de streek.

Wie is Els Ronsmans?

Els Ronsmans werd geboren in Moorsel op 1 april 1945. Ze liep er school ten tijde van de schoolstrijd. Na de lagere school deed ze haar zesde leerjaar over om Frans te leren in het Institut Sacré Coeur aan de Place Dailly te Brussel.

Later koos ze voor een carrière als leerkracht. In 1964 begon ze les te geven in de zustersschool van Sterrebeek. Haar man, Bruno Ceuppens, begon een jaar later aan een militaire carrière als F-16-piloot en Els besloot hem te volgen.

In 1998 keerden ze definitief naar Tervuren terug. Sinds 2000 is Els bestuurslid van de heemkundige kring waar ze zich inzet als secretaris en ook tentoonstellingen verzorgt in het Hof van Melijn.