Heet van de naald

 

Medewerkers gevraagd:

Wij van de Heemkundige kring kunnen nog steeds helpende handen gebruiken, zowel in ons archief- en documentatiecentrum als bij de organisatie van aktiviteiten. Wie zich geroepen voelt om ons een handje hulp toe te steken als losse medewerker mag zich steeds melden. We zullen jullie met open armen ontvangen.

 

Nieuws uit de regio

Meiboomplanting
 
Het is inmiddels reeds enkele weken geleden dat de meiboom van 2019 werd geplant, maar nog steeds denken we met plezier terug aan die zonnige dag. Het was, mede omdat het hele programma buiten kon worden afgewerkt, een van de meest succesvolle edities sinds in 2011 werd gestart met een vernieuwde formule. De tweehonderd zitjes bleken bijlange niet toereikend om alle aanwezigen een plaats te geven en de verkoop van het nieuwe Sint-Hubertusbier overtrof alle verwachtingen.
Nieuw dit jaar was de aanwezigheid van enkele leden van de Broederschap van Sint-Hubertus. Zij hielpen hun collega’s, de Sint-Hubertusdragers, met het rechten van de boom door middel van een touw dat losjes door de kruin geslagen was. Op die manier kon vermeden worden dat de boom, zoals vorig jaar haast gebeurd was, in het publiek terecht zou komen.
Een hoog ‘Sint-Hubertusgehalte’ als je dit allemaal leest, inderdaad, maar ook de andere verenigingen lieten zich niet onbetuigd: Brasskwartet Quattre Brass, volkskunstgroep De Rollewagen uit Sterrebeek, de welpjes van de scouts, de Reuzenvereniging met reus Jommeke, het Sint-Ceciliakoor Tervuren. En onze kring natuurlijk, die samen met de parochiefederatie de organiserende Meiboomgilde vormt.
Eveneens vermeldenswaard was de belangrijke aanwezigheid van Brusselse en Leuvense meiboomplanters, beide oud-hertogelijke steden hadden een grote afvaardiging gestuurd naar de al even oud-hertogelijke residentieplaats Tervuren. Voor hen hadden we iets bijzonders in petto: een touwtrekwedstrijd waarbij twee jonge scoutsploegen de stedelijke kleuren verdedigden. In drie opeenvolgende pogingen werd het pleit beslecht onder het streng toeziende oog van Vic de Flik die als scheidsrechter optrad. Roodgroen haalde het nipt van roodwit, en de winnende ploeg belandde samen met de woordvoerder van de Brusselse “Maabuumplanters” op het podium.
Er mag gesteld worden dat we sedert enige jaren een goede band hebben opgebouwd met onze collega’s uit Leuven en Brussel. We werden reeds enige keren uitgenodigd op de Meyboomplanting van Leuven, nu ontvingen we ook een uitnodiging om op 9 augustus een zitje te bemannen of te ‘bevrouwen’ op de tribune te Brussel. Hoe het dus groeit en bloeit…
Een enkel woord tenslotte over het samenzangmoment: de meiliederen die het Sint-Ceciliakoor bracht, werden erg gesmaakt door het publiek en er werd uit honderden kelen meegezongen. Ook dit is (immaterieel) erfgoed waar we aandacht aan blijven besteden.
Noteer alvast dat de 10e editie van de meiboomplanting ‘nieuwe stijl’ volgend jaar plaatsvindt op, jawel, 1 mei 2020.
FR
 

Bernard van Orley in Bozar
Zaterdag 27 april 2019
 
In het vorige nummer van Het Horentje hadden we het over Bernard van Orley (±1488-1541) en zijn relatie tot de oudste afbeelding van het Tervuurse kasteel op een wandtapijt. In het Paleis voor Schone Kunsten (Bozar) had er van 27 februari tot 25 mei een prestigieuze tentoonstelling plaats over deze kunstenaar en zijn werken. Samen met onze zustervereniging, De Vrienden van de School van Tervuren, organiseerden we een geleid bezoek naar deze tentoonstelling. Een dertigtal kunstminnaars daagde deze namiddag op en dus moest onze gids, Elisabeth Derveaux, de hulp inroepen van een collega, zodat we in twee groepen konden optrekken. Het was een prachtige tentoonstelling! Bernard van Orley leefde op een overgangspunt in de kunstwereld van de Nederlanden, de late gotiek ging over naar de renaissance. De tentoonstelling geeft hiervan een duidelijk beeld.
Als jonge kunstenaar begon hij met het schilderen van religieuze taferelen voor kerken, kloosters en abdijen, volledig in de stijl van de late middeleeuwen. Als hofschilder bij landvoogdes Maria van Oostenrijk in 1518, breidde zijn faam zich uit. Hij werd succesvol bij patriciërs en hooggeplaatsten aan het hof. Het jaar 1520 was een kanteljaar met de renaissance in zicht. Hij ontmoette de Duitser Albrecht Dürer, die hem de nieuwe smaak doorgaf. Bestellingen stroomden binnen en hij had een schare medewerkers in het atelier.
Maria van Hongarije werd opgevolgd door haar neef Karel V en van Orley werkte ook voor deze vorst. Hij tekende voor hem de kartons voor de twaalf wandtapijten, waarover we het hadden in het vorige Horentje. Ook als portretschilder en ontwerper van glasramen is van Orley bekend geworden.
De tentoonstelling brengt alles prachtig naar voor met kunstwerken uit musea in Brussel, Madrid, Parijs, München, New York en andere plaatsen, evenals ontleningen uit privécollecties. Bernard van Orley was een van de meest vernieuwende kunstenaars van zijn tijd. Hij baande de weg naar zijn opvolgers, tot en met Bruegel.
Langs deze weg hartelijk dank aan Elisabeth Derveaux (en haar collega), die ons op zeer bekwame wijze rondleidde.
VM

Restauratie van de zogenaamde wachterspaviljoenen
4 februari 2019
 
Iemand van de Regie der Gebouwen nam via de gemeentelijke diensten met ons contact met een vraag om concrete inlichtingen. Dit is niet voor het eerst, het zal ook niet voor het laatst zijn. Men weet dus dat wij, met ons uitgebreid archief, soms in staat zijn om lastige vragen te beantwoorden.
Ditmaal ging het over de twee paviljoentjes aan de ingang van de warande, tussen de terminus van tramlijn 44 en de weg naar het koloniënpaleis. Deze twee gebouwtjes bevinden zich al jaren in een ellendige staat. Bij de Regie schijnt men nu de nodige fondsen gevonden te hebben om de restauratie ervan aan te vatten. Uiteraard zullen ze zich vooraf grondig informeren, niet alleen voor wat de technisch-bouwkundige elementen betreft maar ook over de historische achtergrond. In het restauratiedossier dd. 27 september 2018 lezen we dat die twee wachthuisjes geplaatst werden voor de controle bij de ingang tijdens de zogenaamde Kongotentoonstelling van 1897. Maar toch gingen sommigen er aan twijfelen. Waren deze gebouwtjes niet ouder? Vraag voor de heemkundige kring dus.
Wij bezitten in ons archief (Fonds 0/Oud Archief, nr. 196) een boedelbeschrijving uit 1826 van het paviljoen van de prins van Oranje. Een zekere heer Suys, “Bouwmeester der Koninklijke Paleizen en Landsgebouwen” noteerde heel gedetailleerd, zowel in het Frans als in het Nederlands, wat hij observeerde. Zodoende kregen we een nauwkeurig beeld (zowel binnen als buiten) van het domein en het paviljoen, dat enkele jaren voordien in opdracht van prins Willem werd gebouwd op het Lokaertveld.
Hij start met zijn beschrijving aan het hekken beneden de Kasteelstraat. Het valt ons onmiddellijk op dat hij hier enkel het linkse hoekpaviljoen in detail beschrijft.
Heel normaal is dat want de rechtse – wat we later het huis van meester Cums noemden – was sinds 1797 in privéhanden gekomen.
Zo maakt hij vervolgens een ‘wandeling’ langs de gebouwen van het Hoefijzer, de Sint-Hubertuskapel (1), het park, de moestuin, de ‘basse cour’, de kazerne voor de ‘Mare chaussée’, de ‘Boom Kwekerij’, de tuinen en de dreven, om zo uit te komen aan het eigenlijke grote paviljoen, dat hij in al zijn details, zowel binnen als buiten, beschrijft. Vooraleer hij het paviljoen te lijf gaat, lezen we echter een notitie die we precies nodig hadden om aan de vraag van de Regie te kunnen voldoen. Lees maar de letterlijke weergave van de tekst mee:
 
“Voornaamste Ingang
De dreef, de groene laan genaamd, wordt afgesloten door een ijzeren hek, het welk 18 ellen lang is, hebbende tot hengsel 4 bundels lansen van geslagen ijzer.
Het merkwaardige van dit hek is dat het zelve zonder steun pilaren, noch rollen op zich zelve open draait.
Aan weder zijde heeft men twee huisjes geplaatst welke met uitgehouwen blauwe steen bekleed zijn. De lengte is vier ellen op 3 el diepte, de geheele hoogte vijf ellen. Een dezer huisjes is bestemd tot woning (2) voor den portier en het andere voor wacht huis.
Regt over dit hek bevind zich de weg van Tervueren naar Leuven, het geen deze legging zeer verlevendigt.“

 
Blijkt dus dat er al twee paviljoenen bestonden in de tijd van de prins van Oranje en er dus rond 1824-‘25 gebouwd werden. Mogelijk werden ze in 1897 wel wat verbouwd, mogelijk zelfs afgebroken en heropgebouwd, om dienst te kunnen doen als controlehuisjes bij de ingang van de Kongotentoonstelling. Het feit dat er in de boedelbeschrijving van 1826 vermeld wordt dat deze twee wachterspaviljoentjes zich bevonden “aan weder zijde” van het hek, laat ons enerzijds sterk vermoeden dat de huidige zich nog op dezelfde plaats bevinden als hun voorgangers en eventueel een verbouwing ervan zijn uit de tijd van de Kongotentoonstelling.
Anderzijds zorgt een passage uit het hierboven vermelde restauratiedossier uit 2018 toch voor een lichte mistlaag. Hierin wordt het volgende gezegd: “Op de Atlas der Buurspoorwegen (ca. 1840) zijn er twee gebouwtjes merkbaar, die de ingang tot het park lijken te accentueren. Echter bevinden deze gebouwtjes zich buiten de as van de toegang. Ook lijken ze erg groot getekend in verhouding tot de grootte van de huidige wachterspaviljoentjes”. Deze laatste passage laat dus de mogelijkheid open dat er zich tijdens de Kongotentoonstelling tussen het bewuste hek en het Koloniënpaleis een groter gebouw bevond dat later, na 1840, afgebroken werd.
Als het zo is dat de boedelbeschrijving geen situatieplan geeft voor de twee gebouwtjes en we ons dus moeten beperken tot de tekst(en) hierboven weergegeven, dan voelen we ons, door de aanduiding van 1826, toch gesterkt in de mening dat de huidige paviljoentjes een verbouwing of heroprichting zijn van de wachterspaviljoenen uit de tijd van de Prins van Oranje.
Voor wat de bestemming van de twee gebouwtjes betreft, na het einde van de aan gang zijnde restauratie, lezen we in het restauratiedossier het volgende:
Momenteel bevindt zich in het linker gebouw, vanaf de straatzijde gezien, de gasdruk reduceerinstallatie (uit 1981), uitgebaat door Eandis, evenals de hoofdaansluiting van de gastoevoer voor de gebouwen van het museum. In de toekomst zal dit hier ook gehuisvest blijven. Zijn rechter buurman had de laatste jaren geen eigenlijke bestemming, behalve dat het soms gebruikt werd als afvalruimte. In de toekomst opteert men voor een bestemming als afvalverzamelpunt voor het Koloniënpaleis.
Voetnoten:
1. Voor deze “kapel van Sint-Hubert” noteert hij: “…deze Kapel bevint zich thans in zoodaningen staat van verval dat men het moeylijk acht de zelve te herstellen”.
2. Om te fungeren als woning, valt het gebouwtje nogal klein uit. Waarschijnlijk zal het enkel maar gediend hebben als dagverblijf voor de portier.
Vic Motte

De Sint-Hubertuskapel

De Sint-Hubertuskapel bevindt zich in het park van Tervuren (de ‘warande’) en werd gebouwd in het begin van de 17e eeuw. Ze werd opgetrokken in vroegbarokke stijl, naar een ontwerp van architect Wenceslas Cobergher, die ook de basiliek van Scherpenheuvel en de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen op zijn naam heeft staan. In augustus 2018 werd gestart met de renovatie van de kapel, de werken werden in het voorjaar van 2019 voltooid.
 
Historiek
In de periode 1599-1633 werd het middeleeuwse hertogelijk kasteel in Tervuren en de omliggende warande verbouwd en verfraaid tot een buitenverblijf voor de aartshertogen Albrecht en Isabella. De werken werden uitgevoerd onder leiding van hofbouwmeester Wenceslas Cober-gher. Rond 1616-1617 werd op de binnenkoer van het kasteel, ter vervanging van de houten ‘sint-huybrechtscapelle’, een nieuwe kapel gebouwd die rijkelijk werd gestoffeerd, onder meer met drie schil-derijen van Theodoor van Loon met taferelen uit het leven van Sint-Hubertus.
De verering van Sint-Hubertus in Tervuren, waar deze patroonheilige van de jagers vermoedelijk is gestorven, gaat terug tot de 16e eeuw en is zelfs vermoedelijk nog ouder. Dankzij de aartshertogen werd de vereringscultus nieuw leven ingeblazen, wat paste binnen de geest van de contrareformatie. De kapel bleef gespaard van de door Jozef II gedecreteerde slopingen. In 1785 werd in de kapel nog steeds de mis opgedragen en catechismusles gegeven door monniken van de abdij van Park. In de Franse periode werd de kapel voor de eredienst gesloten en diende ze als opslagplaats voor de stoeterij. In 1826 werd ze door Willem I opnieuw voor de eredienst opengesteld, nadat ze kort voordien door zijn zoon Willem-Frederik, prins van Oranje, was gerestaureerd. Waarschijnlijk dateren de houten hoofd- en zijaltaren uit deze periode.
Tijdens een storm in 1884 werd de sacristie volledig vernield en het koor zwaar beschadigd. Er volgden de nodige restauratiewerken. In 1895 werden de schilderijen uit de kapel, die aangetast waren door vocht, overgebracht naar het Museum van Schone Kunsten in Brussel. Koning Leopold II schonk de kapel aan de Belgische Staat en zo werd deze eigendom van het Ministerie van Openbare Werken. Ze stond tientallen jaren leeg en werd in 1922 na herstellingen opnieuw geopend. In 1954 werd ze volledig gerestaureerd en in 1993 volgde nog een algemene opfrisbeurt. Het beheer en onderhoud van de kapel werden lange tijd verzorgd door de militaire overheid van de nabijgelegen Panquinkazerne in het Hoefijzer. De legeraalmoezenier stond er in voor de zondagsmis en de jaarlijkse Sint-Hubertusviering, die traditiegetrouw plaatsvindt op de laatste zondag van oktober.
 
Beschrijving van het gebouw
De Sint-Hubertuskapel is gebouwd in kruisvorm en bestaat uit een rechthoekige beuk en koor (14 x 5 meter), flankerende zijkapellen (5 x 2,5 meter) en een sacristie die aansluit op het koor (5 x 2 meter). Karakteristiek zijn de identiek afgewerkte voor- en achtergevel. De gevel is opgetrokken in rode baksteen en witte natuursteen, wat typisch is voor de vroegbarok. Typerend zijn ook de verticale en horizontale banden in natuursteen, de volutengevel met fronton en achtkantige klokkenruiter en de afwisseling van rechthoekige- en rondboogvensters. De centrale inkom bestaat uit een bespijkerde, eikenhouten poort. Daarboven bevindt zich in een nis een terracottabeeld van de patroonheilige Sint-Hubertus. Van de rijke stoffering in het interieur bleef niets bewaard. De houten hoofd- en zijaltaren dateren vermoedelijk uit het eerste kwart van de 19e eeuw.
 
Uitgevoerde werken
De kapel had veel waterschade opgelopen onder andere omdat de goten dikwijls verstopt raakten door de bladeren van de omliggende bomen. De goten werden weggehaald en de helling aan de dakconstructie werd aangepast, zodat het regenwater voortaan rechtstreeks naar de grond kan afwateren. Rondom de kapel werd een drainagestrook aangelegd.
De leien op het dak bleken nog in goede staat te zijn maar de leihaken waarmee ze bevestigd lagen, waren sterk verweerd, waardoor de kans groot werd dat de leien in de toekomst zouden loskomen en afschuiven. Daarom werden de leien gedemonteerd en teruggeplaatst met nieuwe leihaken. Om de toegankelijkheid van het dak te verbeteren, werden er klimhaken aangebracht, net als een uitklapbare ladder. Er werd ook een duivenwering geplaatst. Al de houten onderdelen aan de buitenkant van de kapel (zoals timmerwerk, klokkenruiter, luiken,...) werden hersteld of vernieuwd. Het kruis op de toren van de kapel werd in een atelier opnieuw volledig verguld. Het klokje van de kapel en de klokstoel werden eveneens naar een atelier gebracht voor reiniging en restauratie. De gevelankers werden ontroest en geschilderd.
Wat de gevels betreft, werden de verweerde bakstenen en natuursteen van de topgevels gerestaureerd of vervangen. Het metselwerk werd opnieuw opgevoegd. Ook werd een oude cementering aan de achterzijde van de topgevels, die veel vorstschade aan het metselwerk had veroorzaakt, vervangen door een nieuwe buitenmuurbepleistering op basis van hydraulische kalkpleisterlaag. Binnenin de kapel werden de gaten in het pleisterplafond hersteld en werd een rotte houten balk boven de deur naar de sacristie vervangen. De zolder werd opgekuist en rotte en aangetaste balken werden hersteld of vervangen. Eén dakkapel werd vervangen. 
 
Bron: Agentschap Onroerend Erfgoed 2018: Sint-Hubertuskapel [online],
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/42769 (geraadpleegd op 30 januari 2019)
 
Technische fiche
Eigenaar: Regie der Gebouwen
Architectenbureau: Studio Roma
Uitvoerder van de werken: Monument Vanderkerkhove
Kostprijs: ca. 350.000 euro (incl. BTW)
 
Sandra Van Gestel

 

 

(top)

Van de kring


(top)

Reacties

 

(top)

Schenkingen en aanwinsten

* Ons medelid Luk Hermans schonk ons archief een aantal artefacten die afkomstig zijn van wijlen René Daems.

Hartelijk dank aan de schenkers

(top)

Necrologie

Op 15 maart 2019 werd graaf Armand Marie Rasse Charles Thierry Graaf de Liedekerke (°1945) bijgezet in de familiegrafkelder op de begraafplaats van Leefdaal. De graaf was en is zeer graag gezien in het dorp, onder meer omdat hij opkwam voor het behoud van het landelijk karakter van het dorp dat, net als alle andere dorpen in het omliggende, zwaar lijdt onder de druk van bouw- en inbreidingsactiviteiten. De graaf nam ook trouw deel aan de populaire en authentieke koningsschieting van de jongmansgilden van Leefdaal, de zgn. Jefkes. “Leve de graaf, leve de gravin!” roepen de Jefkes wanneer ze de graaf afhalen op zijn kasteel, waarna ze pintjes aangeboden krijgen. De stoet vertrekt dan naar de schuttersweide, tussen kerk en kasteel, langs de mooie beukendreef. De kasteelheer mag de koningsvogel op de wip plaatsen en even later als eerste drie ereschoten lossen.
De familie de Liedekerke bewoont onderhand haast 200 jaar het kasteel van Leefdaal. Zij volgden de vorige bewoners op, de Brouchoven de Bergeyck, die het op hun beurt hadden overgeërfd van de Merodes. In 1827 stierf Catherine Françoise de Brouchove kinderloos, en haar zus, die getrouwd was met Gérard de Liedekerke, nam bezit van de Leefdaalse goederen. De jonge graaf François-Guillaume de Liedekerke neemt de rol van zijn vader nu wellicht over.
FR
 
Op 23 februari 2019 overleed Gerard Van Lancker, 97 jaar, in Leuven. Gerard Van Lancker was de voormalige eigenaar van het Hof Oude Voorde te Vossem. Hij heeft alles in het werk gesteld om te bereiken dat de historische hoeve een beschermd monument werd en dat ze op een fatsoenlijke manier onderhouden en zelfs gerestaureerd werd. Over deze hoeve en over de familie Vandendriessche-Van Lancker publiceerden we artikels in diverse nummers van De Horen.