De Ballingsgezellen van Soltau (1)

John D'Haese, een Canadese Tervurenaar

Kaft boekOud-Tervurenaar Jean D'Haese woont al tientallen jaren in Alberta (Canada). Hij is sedert jaren trouw lid van onze kring. Ooit publiceerden we in De Horen dat deel van zijn levensverhaal waarin hij vertelt hoe hij Tervuren na de Tweede Wereldoorlog verliet om uiteindelijk in Canada aan te komen, waar hij als architect carrière maakte. Zijn moeder, Marie Clémentine Herinckx uit de Tabaksbergstraat, trok op het einde van haar leven naar Canada om bij haar zoon haar laatste levensjaren door te brengen.
Jean, ginds gekend als John, heeft heel wat interesse voor Soltau in Duitsland. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden heel wat Tervurenaars naar ginder gedeporteerd en in een soort concentratiekamp ondergebracht. Ook zijn grootvader langs moeders zijde, Felix Herinckx, was daarbij. Toeval wil dat de vader van John als militair in 1940 in het krijgsgevangenkamp van Fallingborstel terechtkwam, dat zich op 5 km. van Soltau bevindt.
Maar waarom kwamen die Tervurenaars in 1914 in Soltau terecht en waarom noemden ze zich achteraf ‘De Ballingsgezellen van Soltau’? 

De mannen van de Burgerwacht

Tijdens  de strubbelingen van 1830 werden in alle steden en gemeenten officiële para-militaire groepen opgericht: de Burgerwacht, in het Tervuurse dialect  ‘de gardsivik’. Het  was een al dan niet gewapend burgercorps van mannen tussen de 20 en de 30 die hun stad of dorp in tijden van oorlog of rampen moesten beschermen of verdedigen. De leider(s) waren gewoonlijk een of meerdere notabelen die in de beste omstandigheden een militaire loopbaan achter de rug hadden. Hier in Tervuren was dit niet het geval voor aanvoerder August Hackaert, die in het burgerleven houtvester was (soort hoofdboswachter) en in het grote boswachtershuis aan het "(H)Eiken" woonde. Onze Tervurenaars waren niet gewapend en hadden als enig uniformstuk een blauwe kiel met gordel en misschien een sjako, een soort pet. Begin twintigste eeuw bestond de burgerwacht nog maar veel stelde ze niet voor.

De Duitste bezetting en de deportatie

De Duitse bezettingsmacht wou in 1914 geen risico nemen en arresteerde alle leden van de burgerwacht. Waarschijnlijk enerzijds omdat ze guerilla-activiteiten vreesden maar ook wel om te voorkomen dat die mannen op een of andere manier het reguliere Belgische leger zouden gaan vervoegen. Die arrestaties beperkten zich trouwens niet tot de burgerwacht, ook andere mannen tussen de 20 en de 30 werden opgepakt.
Eerst kwam het bericht dat op een bepaald ogenblik al de betrokkenen zich moesten aanmelden op het gemeentehuis. Bevel dat uiteraard door niemand opgevolgd werd maar bij een inval bij August Hackaert thuis hadden de Duitsers de lijst gevonden van de 136 leden van de burgerwacht met hun adres. Het was dus een koud kunstje om alle leden op 30 augustus 1914 te gaan arresteren. Ze lieten dit vuil werkje opknappen door politiecommissaris Cortleven, die met de bel door de gemeente trok en ermee dreigde dat vrouw en de kinderen van hen die zich niet zouden aanmelden, gefusilleerd zouden worden. Hij ging daarbij zo ruw te werk dat hij voor de rest van zijn leven door de Tervurenaars gehaat werd. De opgeroepenen werden op de markt verzameld en te voet in colonne naar Leuven gedreven. Leuven was kort ervoor door de Duitsers ‘te vuur en te zwaard’ vernield en bood een troosteloos uitzicht. In het vernielde station werden de gevangenen op een trein geplaatst, tien man per ‘compartiment’ (normaal was er maar plaats voor 8 personen), en afgevoerd voor een verre reis zonder eten of drinken (drie dagen en nachten) naar Hannover. Dan volgde nog een voettocht naar het plaatsje Soltau ten noorden van de stad.

Gevangen in Soltau

Soltau Kamp PlanIn Soltau aangekomen bleek het kamp nog niet ingericht te zijn en bestond het eigenlijk maar uit een veld, omringd met prikkerdraad. Een week lang moesten de gevangenen maar onder de blote hemel  leven en slapen. Daarna verhuisden ze voorlopig naar een rijschool, waar ze weliswaar op de grond moesten slapen maar toch een dak boven het hoofd hadden. Intussen werden er in het kamp van Soltau tenten opgeslagen. Toen ze daarin ondergebracht waren, brak er een paar dagen later ‘s nachts een zware storm los, die de tenten wegwaaide. Ze sliepen dan maar opnieuw onder de blote hemel tot wanneer uiteindelijk de voorziene barakken klaar waren. Nu  begon voor hen (en voor de vele andere Belgen, ook krijgsgevangen militairen en Fransen) het gevangenleven. In het kamp heerste een echt terreurregime. Tijdens de dag moest er hard gewerkt worden in de bossen, aan wegen of bij de boeren op het veld. De maaltijden waren zeer karig en van bedenkelijke kwaliteit (gewoonlijk een soort watersoepje). De hygiënische omstandigheden waren ook beneden alle peil en het beschikbare water kon je moeilijk tot de kwaliteit drinkbaar definiëren. Het was dan ook normaal dat velen verzwakten of ziek werden. Zieken werden haast niet verzorgd. De bewakers traden op als echte barbaren. Ze sloegen en stampten en lieten soms hun gevaarlijke honden los op de arme stakkers. Een gedeelte van de ongelukkigen in de kampen is na een tijdje dan ook bezweken. Wie bij de boeren werkte, was er nog het best aan toe, ze werden niet mishandeld en hadden nog wat eetbaar voedsel en te drinken.

Terug naar huis

Gedurende vijf maanden ondergingen de gevangenen dit belastende regime. Dan werden ze, samen met lotgenoten uit Eppegem en Lebbeke vrij gelaten. Het gerucht gaat dat dit kwam door bemiddeling van de Vlaamse leider, August Borms. Ze werden in Hannover op de trein gezet om de reis naar huis af te leggen. Opnieuw drie dagen en drie nachten zonder eten of drinken voor deze al zo verzwakte jongens. Na lange wachttijden in Luik en Leuven kwam de groep tenslotte in Schaarbeek toe. Van hieruit marcheerde (strompelde) de bende onder gewapende escorte tot in Sint-Pieters-Woluwe. De meeste waren hier aan het einde van hun bobijn. Een goede ziel in Woluwe kon het niet aanzien en huurde op eigen kosten een tram die de ongelukkigen naar Tervuren bracht, waar ze op 30 januari 1915, toekwamen. Sommigen waren zo verzwakt dat ze zich zelfs niet realiseerden dat ze opnieuw thuis waren. Vooraleer echter naar vrouw en kinderen te mogen, werd iedereen nog naar het Koloniënpaleis gedreven om gedurende eindeloze uren geteld en herteld te worden. Dan pas mochten ze naar huis om er opnieuw bovenop proberen te komen. Voor een achttal lukte dit niet en ze stierven kort hierop. Thuis werden ze door de Duitse bezetters nog niet met rust gelaten, iedere week moesten ze zich aanmelden als bewijs dat ze nog in het land waren.
Na de oorlog hebben ze zich verenigd onder de naam ‘De Ballingsgezellen van Soltau’. Ze werden een derde oud-strijdersvereniging (in het Tervuurse dialect ‘de combattants’), de andere waren de oud-strijders zelf en de oorlogsinvaliden maar tussen de drie ‘sosjeteiten’ was er wel enige spanning. In 1921 werd hun vlag plechtig ingewijd. Een tijd na de Tweede Wereldoorlog werd de vereniging door de laatste drie overledenen ontbonden en om onverklaarbare redenen begroeven ze de archieven en hun vlag, volgens beweringen ergens in de Bergestraat.

(1) Lees hierover ook meer bij:

  • Armand Schepers in De Horen 1980/3 pag.90 e.v.
  • Piet Ruttens in De Horen 1993/3 pag. 124 e.v.
  • Fons Vandendael in De Horen 2004/1 pag. 38 e.v.

Vic Motte

Foto's

Duitse wacht met honden Kamp Watertoren Soltau Geschutstelling
Duitse wacht met honden Kamp Watertoren Soltau Geschutstelling
Soltau Kamp I en II Soltau kampmonument Soltau kampstraat
Soltau Kamp I en II Soltau Kampmonument

Soltau kampstraat

Soltau ontsmettingsinrichting Soltau Poorten Soltau wachttoren
Soltau ontsmettingsinrichting Soltau poorten Soltau wachttoren
Felix Herinckx ca 1937 Grootmoeder en Jean Marie Clementine Herinckx ca 1955
Felix Herinckx ca 1937 Grootmoeder en Jean ca 1946 Marie Clementine Herinckx ca 1955
Leden van de Koninklijke Harmonie, mei 1938 Soltau September 1914 Soltau September 1914
Leden van de Koninklijke Harmonie, mei 1938 Soltau September 1914 Soltau September 1914